Als gelijkwaardigheid voorwaarden krijgt

Sylvana Simons benoemde onlangs iets dat schuurt, maar raakt. Ze wees erop dat racisme zich niet altijd toont als openlijke haat. Soms is het subtieler. Mensen met melanine worden niet afgewezen, maar gebruikt. Als slachtoffer. Als excuus. Als bewijs van morele deugd. Zolang ze maar passen binnen het verhaal van de ander.

Dat inzicht klopt. En het verdient aandacht.

Maar wie iets langer kijkt, ziet dat dit mechanisme ouder is dan racisme alleen. Dieper ook. Het is geen losstaand sociaal probleem, maar een wereldbeeld.

We leven in een cultuur waarin waardigheid vaak voorwaardelijk is. Waarbij het niet genoeg is om te zijn — je moet iets opleveren. Iets bevestigen. Iets rechtvaardigen. En wie dat niet kan, raakt gemakkelijk buiten beeld.

Dieren kennen dat systeem al eeuwen.

Ze worden niet gehaat. Ze worden gebruikt. Als product. Als grondstof. Als symbool. Hun pijn is genormaliseerd, hun stem structureel genegeerd. Niet omdat mensen per se wreed zijn, maar omdat we collectief hebben geleerd dat sommige levens minder meetellen. Dat sommige vormen van geweld “erbij horen”.

Dat is geen randverschijnsel. Het is oefening.

Een samenleving die dagelijks accepteert dat dieren middel mogen zijn, traint zichzelf in morele uitzonderingen. In het uitschakelen van empathie wanneer dat praktisch uitkomt. En wie daar bedreven in raakt, past die logica niet alleen toe op dieren.

Het is ongemakkelijk om dat te erkennen. Zeker binnen progressieve kringen, waar compassie een kernwaarde is. Antiracisme, feminisme, sociale rechtvaardigheid — het zijn noodzakelijke bewegingen. Maar zolang dieren structureel buiten de morele cirkel vallen, blijft er een blinde vlek bestaan.

Niet omdat mensen die dit niet zien slecht zijn.
Maar omdat het systeem waarin we leven selectief voelen aanleert.

Het punt is niet dat racisme en dierenuitbuiting hetzelfde zijn. Dat zijn ze niet. Het punt is dat ze dezelfde onderliggende denkfout delen: waardigheid koppelen aan nut.

Zodra een leven pas telt als het iets oplevert — een verhaal, een functie, een rechtvaardiging — wordt niemand echt veilig. Dan kan iedereen, vroeg of laat, tot middel worden gereduceerd.

Misschien is dat wat deze discussie zo ongemakkelijk maakt. Want echte gelijkwaardigheid stopt niet netjes bij de soortgrens. Ze stelt vragen aan alles wat we normaal zijn gaan vinden. Aan ons eten. Onze tradities. Onze vanzelfsprekendheden.

Dat vraagt geen perfecte mensen.
Geen morele zuiverheid.
Alleen de bereidheid om te kijken waar we al heel lang niet meer voelen.

Misschien begint echte rechtvaardigheid niet bij wie we verdedigen,
maar bij wie we al generaties lang niet horen.

En dat is geen beschuldiging.
Dat is een uitnodiging.Sylvana Simons benoemde onlangs iets dat schuurt, maar raakt. Ze wees erop dat racisme zich niet altijd toont als openlijke haat. Soms is het subtieler. Mensen met melanine worden niet afgewezen, maar gebruikt. Als slachtoffer. Als excuus. Als bewijs van morele deugd. Zolang ze maar passen binnen het verhaal van de ander.

Dat inzicht klopt. En het verdient aandacht.

Maar wie iets langer kijkt, ziet dat dit mechanisme ouder is dan racisme alleen. Dieper ook. Het is geen losstaand sociaal probleem, maar een wereldbeeld.

We leven in een cultuur waarin waardigheid vaak voorwaardelijk is. Waarbij het niet genoeg is om te zijn — je moet iets opleveren. Iets bevestigen. Iets rechtvaardigen. En wie dat niet kan, raakt gemakkelijk buiten beeld.

Dieren kennen dat systeem al eeuwen.

Ze worden niet gehaat. Ze worden gebruikt. Als product. Als grondstof. Als symbool. Hun pijn is genormaliseerd, hun stem structureel genegeerd. Niet omdat mensen per se wreed zijn, maar omdat we collectief hebben geleerd dat sommige levens minder meetellen. Dat sommige vormen van geweld “erbij horen”.

Dat is geen randverschijnsel. Het is oefening.

Een samenleving die dagelijks accepteert dat dieren middel mogen zijn, traint zichzelf in morele uitzonderingen. In het uitschakelen van empathie wanneer dat praktisch uitkomt. En wie daar bedreven in raakt, past die logica niet alleen toe op dieren.

Het is ongemakkelijk om dat te erkennen. Zeker binnen progressieve kringen, waar compassie een kernwaarde is. Antiracisme, feminisme, sociale rechtvaardigheid — het zijn noodzakelijke bewegingen. Maar zolang dieren structureel buiten de morele cirkel vallen, blijft er een blinde vlek bestaan.

Niet omdat mensen die dit niet zien slecht zijn.
Maar omdat het systeem waarin we leven selectief voelen aanleert.

Het punt is niet dat racisme en dierenuitbuiting hetzelfde zijn. Dat zijn ze niet. Het punt is dat ze dezelfde onderliggende denkfout delen: waardigheid koppelen aan nut.

Zodra een leven pas telt als het iets oplevert — een verhaal, een functie, een rechtvaardiging — wordt niemand echt veilig. Dan kan iedereen, vroeg of laat, tot middel worden gereduceerd.

Misschien is dat wat deze discussie zo ongemakkelijk maakt. Want echte gelijkwaardigheid stopt niet netjes bij de soortgrens. Ze stelt vragen aan alles wat we normaal zijn gaan vinden. Aan ons eten. Onze tradities. Onze vanzelfsprekendheden.

Dat vraagt geen perfecte mensen.
Geen morele zuiverheid.
Alleen de bereidheid om te kijken waar we al heel lang niet meer voelen.

Misschien begint echte rechtvaardigheid niet bij wie we verdedigen,
maar bij wie we al generaties lang niet horen.

En dat is geen beschuldiging.
Dat is een uitnodiging.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *