Ik luisterde laatst in de auto naar een basistraining Geweldloze Communicatie van Marshall Rosenberg.
Hij zei — niet voor het eerst — dat als wij als mensheid anders zouden leren communiceren, oorlogen zouden verdwijnen.
Mooi. Groot. Hoopvol.
En tegelijkertijd dacht ik: zo simpel is het niet.
Niet omdat hij ongelijk heeft, maar omdat geweld zelden alleen over woorden gaat.
Die gedachte nam me mee naar iets anders waar ik al langer mee rondloop: veganisme.
Niet als oplossing voor wereldvrede. Niet als morele verheffing.
Maar als oefenruimte.
Wat als het niet zozeer gaat om wat we eten,
maar om wat we normaal zijn gaan vinden?
We leven in een systeem waarin dierenleed netjes is weggewerkt.
Achter woorden als “product”, “stukje vlees”, “kipfilet”.
Achter plastic, afstand en routines.
En dat doet iets met ons.
Niet omdat mensen ongevoelig wíllen zijn,
maar omdat het zenuwstelsel leert:
dit is normaal, dit hoef ik niet te voelen.
Het probleem is alleen:
niet-voelen is zelden selectief.
Wie structureel oefent in wegkijken bij leed,
oefent tegelijk in afsluiten.
In dempen. In verdoven.
En die vaardigheid neem je mee.
Naar gesprekken. Naar conflicten. Naar relaties. Naar meningsverschillen.
Daar raak je iets essentieels kwijt:
het vermogen om echt af te stemmen.
Ik denk daarom niet dat veganisme de wereld gaat redden.
Maar ik denk wél dat het iets kan herstellen.
Namelijk ons contact met wat we voelen.
Met ongemak. Met verantwoordelijkheid. Met zachtheid.
Niet als identiteit.
Niet als stok om mee te slaan.
Maar als dagelijkse oefening in geweldloosheid.
Ook — en misschien vooral — naar jezelf.
Want hoe beter we leren voelen,
hoe kleiner de afstand wordt tussen ik en jij.
En dáár begint iets dat op vrede lijkt.

